Oorzaken van subassertief gedrag, waarom ben ik niet assertief?
Er is niet één alles-verklarende theorie waarmee subassertief gedrag te ontrafelen valt. Opvattingen uit de biologie leggen het accent op het ontbreken van bepaalde stoffen in de hersenen en de werking van het zenuwstelsel. Dat zou verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van angsten. Het meest bekend zijn de psychologische theorieën. Deze benadrukken hoe mensen leren van eigen ervaringen (conditionering). Het vermijden van conflicten geeft bijvoorbeeld even opluchting, maar houdt op de lange duur de angst in stand. Daarnaast zouden mensen angst aanleren via het waarnemen van het gedrag van anderen en het krijgen van informatie over bepaalde angstige situaties. Dus als je ziet wat een ander overkomt in een bepaalde situatie, kan dat hetzelfde effect hebben als wanneer je dat zelf zou zijn overkomen. Dat principe gaat ook op voor het lezen of horen van wat anderen hebben meegemaakt. Andere deskundigen wijzen op denkpatronen die niet kloppen of mensen niet verder helpen en zo subassertief gedrag in stand houden. Opvoeders spelen een belangrijke rol door het bieden van steun of het geven van een bepaald voorbeeld. Juist het ontbreken van steun, uitdaging en liefdevolle aanwezigheid is een belangrijke factor bij het aanleren van angst. De verwachtingen vanuit de maatschappij en de daarbij behorende sekserollen zijn eveneens belangrijk bij de kijk op en de waardering van assertief gedrag. Opvoeders bleken minder geneigd om hulp te zoeken voor meisjes met angstklachten dan voor jongens. Onderwijzers beschouwden een stille jongen als problematischer dan een stil meisje. (Peeters & Klumpers, 2005)

De waarde van angst
Angst is een natuurlijk mechanisme, het zorgt ervoor dat wij onszelf beschermen tegen gevaarlijke situaties. Het kan als een sterke activerende factor worden ervaren, omdat we door de angst meer energie krijgen om te reageren op de situatie. Anderzijds kan angst ons functioneren ook remmen. Of angst nu remmend of activerend werkt doet er in feite niet toe. Beide reacties hebben hun nut bij het overleven (voor dood blijven liggen of hard weg rennen, al naar gelang de situatie). Belangrijker is of de prikkel die de angst veroorzaakt wel effectief als angstprikkel moet worden weerhouden. Met andere woorden: heeft het zin om op een bepaalde situatie met angst te reageren of niet. Er zijn bijvoorbeeld weinig kinderen die met hun leraar (die openstaat voor kritiek) in dialoog gaan omdat ze bang zijn voor de eventuele gevolgen. Hier is dus geen sprake van een echte angstprikkel. De assertiviteit van het kind wordt hier niet geremd door de objectieve werkelijkheid, maar door de subjectieve interpretatie ervan.  Als de leraar het echt goed bedoelt, wat in 90% van de gevallen ook zo is, dan hoeft dat kind objectief genomen niet bang te zijn. Het kind is wel bang omdat het denkt dat de leraar hem bewust klein wil houden of probeert in de val te lokken.

Onze opvoeding heeft ons geleerd om niet lastig maar vriendelijk te zijn. Om het anderen naar de zin te maken. Wij voelen ons schuldig als iemand zich door ons toedoen ongelukkig voelt. Daarom zeggen we niks. Door wel te reageren, bewijzen we echter dat we de andere belangrijk genoeg vinden om hem te helpen zich te verbeteren. (Gelaen, 1997, p. 65-67)

Het mechanisme van de angst   
Angst is een systeem dat alle zoogdieren hebben. Ze reageren op gevaarprikkels (bijv. weglopen) om daarmee hun te overleven.

Angst is een emotie. Een positieve emotie als de prikkel die ze veroorzaakt effectieve overlevingswaarde heeft, een negatieve emotie als dit niet het geval is.

Angst is bedoeld om te overleven. Het bereidt het lichaam en de geest voor op een snelle, krachtige reactie om aan het gevaar te ontkomen. Afhankelijk van de situatie zal dat vluchten of vechten zijn.

Wanneer wij in onze opvoeding een fout ervaren moeten we daar iets aan doen. We kunnen onszelf herprogrammeren, ofwel heropvoeden. Aan de basis bepalen onze ouders de opvoeding en de bestemming (opleiding). Door het autonome denken van de mens kunnen we besluiten om later een andere opleiding  te volgen en zodoende onszelf te herprogrammeren.

Ons lichaam weet perfect en van nature hoe het angstig moet zijn, maar waarop het met angst moet reageren, moet het leren. De angst als emotie is aangeboren, de prikkels worden aangeleerd. Dit laatste heeft als nadeel dat verkeerde prikkels een angstwaarde kunnen krijgen. Maar tegelijk het grote voordeel dat we ze ook weer af kunnen leren. (Gelaen, 1997, p. 67-69)

Hoe leren we angstprikkels aan?  
We leren angstprikkels aan op dezelfde manier als elk ander leerproces.

  1. Ervaring
    Alles wat we doen, wordt samen met de resultaten ervan in onze hersenen weggeschreven. Bij latere, gelijkaardige gebeurtenissen kunnen we op die vroegere ervaring  terugvallen om onze nieuwe reactie te bepalen. Alle dieren leren door ervaring en zo goed als alle angsten die we op deze manier aanleren,  hebben in min of meerdere mate overlevingswaarden.
  2. Imiteren
    We kijken naar anderen, bijvoorbeeld in onze jeugd naar de ouderen. We zien wat zij doen, welk resultaat ze boeken en imiteren vervolgens dat gedrag.
  3. Overdracht
    Iemand vertelt ons iets, we lezen een boek, of we zien iets op de televisie. Omdat de toetsing met de werkelijkheid meestal ontbreekt en interpretatie een grote rol speelt, brengt dit leren door horen zeggen nogal wat angsten met zich mee die geen overlevingswaarde heeft. Overdracht is specifiek voor mensen.
  4. Fantaseren of redeneren
    Wat men bij een kind fantaseren noemt, is niets anders dan het leren redeneren. In beide gevallen maken we in onze hersenen verbindingen, associaties met dingen die er op dat moment in werkelijkheid niet zijn. Een kind dat vrij mag fantaseren zal daarom een sterker redeneervermogen ontwikkelen. Fantaseren of redeneren, zeker in combinatie met negatief denken, levert echter zeer veel onnodige angsten op. 

Onverwachte  gebeurtenissen zijn een belangrijke oorzaak van angst. Zeker als we niet weten hoe we moeten reageren. Wie steeds voorbereid is op de dingen die kunnen gebeuren, en weet hoe erop te reageren, zal geen angst kennen.

Ook de sociale omgeving speelt een belangrijke rol. Kijken we naar een groep jongeren, dan zien we dat ze over een bepaald onderwerp allemaal dezelfde mening hebben. Toch komen ze niet allemaal individueel tot deze mening, maar de leider van de groep die deze bepaalt. De rest volgt. Niet omdat ze er mee eens zijn maar omdat ze geen eigen mening durven te vormen. Als er toch iemand een andere mening kenbaar maakt, volgen er direct een aantal mensen. Niet noodzakelijk omdat ze het met hem eens zijn maar omdat ze het oneens zijn met de leider, en zich niet alleen durven te verzetten. Het is veiliger om je achter een ander te verbergen. (Gelaen, 1997, p. 71-72)

Andere oorzaken subassertiviteit
Iemand kan door verschillende oorzaken niet assertief zijn, dat is dus voor iedereen anders. De meest voorkomende oorzaken (in willekeurige volgorde) zijn:

-         Iemand heeft een gebrek aan sociale vaardigheden.

-         Iemand heeft van huis uit aangeleerd om subassertief te zijn.

Een korte toelichting op bovenstaande oorzaken:

Gebrek aan sociale vaardigheden:
Als iemand bang is in contacten met anderen zullen een aantal van de volgende zaken aan de orde zijn.
- Onderschatten van de eigen vaardigheden in het contact met anderen.
- Overschatten van de risico's van de gevolgen van 'fouten' in sociaal contact.
- Een te negatief zelfbeeld.
- Overschatten van de zichtbaarheid van de eigen onzekerheid.
- Verhoogd bewustzijn van de eigen presentatie. De aandacht is in het sociale contact zozeer gericht op de manier waarop men overkomt, dat het functioneren er door belemmerd wordt.

Aangeleerd gedrag (verkeerde cognities, ouderlijk huis)
Gedrag is voor het grootste gedeelte aangeleerd. Hoe we ons gedragen in bepaalde situaties heeft veel te maken met onze opvoeding en met de 'lessen' van onderwijzers, vrienden en andere leermeesters, zoals onze ouders. Hoe moest jíj je gedragen om in de smaak te vallen? Welk gedrag leverde je waardering op? Welk gedrag werd juist afgestraft?

Mogelijke obstakels
- Zelfonderschatting: Ik ben dom, Ik ben een slappeling.

Sommige gebeurtenissen uit het verleden hebben zich vastgezet in ons geheugen. Soms zijn ze een heel eigen leven gaan leiden in de vorm van gedachten en overtuigingen. Sommige van die gedachten weerhouden ons ervan voor onszelf op te komen.

- Perfectionisme: Ik moet de beste zijn, Ik mag geen fouten maken.

- Angst voor afwijzing: Ik wil geen ruzie, dus ik houd mijn mond;  Ik wil dat hij mij aardig vindt dus ik doe alsof ik het met hem eens ben.

- Rampgedachten: Dit zal ook wel weer mislukken,  Als ik deze klus niet afkrijg, word ik ontslagen.

- Opgelegde normen: Goede kinderen staan altijd voor hun ouders klaar, Vriendschap is onbaatzuchtig.

- Generaliseren (algemene conclusie trekken uit één gebeurtenis): Iedereen vindt mij dom, Niemand luistert ooit naar mijn mening.

- Invullen van reacties voor anderen: Mijn baas wordt vast boos als ik het niet met hem eens ben, Als ik mijn mening zeg, is mijn collega teleurgesteld in mij.

- Rationele en irrationele gedachten: Gedachten vallen in twee soorten uiteen:

  • Rationele gedachten
  • Irrationele gedachten

Irrationele gedachten leveren vaak een belemmering op in het functioneren. Ze zijn niet gebaseerd op dé werkelijkheid maar op een zelfbedachte werkelijkheid. Een voorbeeld

Als jongste telg in het gezin was er bij de anderen weinig oor voor jouw mening. Het kan zo zijn dat die ervaring je tot de volgende overtuiging heeft gebracht: 'niemand luistert ooit naar mijn mening.'

Dat is een irrationele gedachte. Wat je vroeger misschien in sommige situaties hebt ervaren, geldt niet noodzakelijk voor alle situaties in het heden. Bovendien helpt zo'n overtuiging je niet je doelen te bereiken. Hij brengt je alleen in conflict met jezelf en met je omgeving. (Applinet B.V.,1999-2009)

<< terug